Selecteer een pagina
Deze man tekent akkoorden. Namens jou (en dat wist je waarschijnlijk niet).

Deze man tekent akkoorden. Namens jou (en dat wist je waarschijnlijk niet).

Het succes van PO-in-Actie schetste het tekort van de traditionele vakbonden. De AOb en CNV Onderwijs waren het contact met de gewone docent kwijt. Polderinstituten, die slappe compromissen met de overheid sloten waar niemand iets aan had. 

De Onderwijscoöperatie, zelfde verhaal. Bestuurd door diezelfde vakbonden. AOb en CNV Onderwijs. Ze maakten er een potje van.

Als de AOb de fout in gaat krijgen ze als eerste kritiek. Omdat iedereen er nog enige hoop voor koestert. Voor CNV Onderwijs kennelijk niet. Wie na dit alles daar nog steeds lid van is zal überhaupt geen liefde voor het onderwijs hebben, en nooit krijgen ook.

Maar over één vakbond hoor je nooit iets, de federatie van onderwijsvakorganisaties. Zij zijn ook zo’nvakbond. En zij waren ook verantwoordelijk voor het fiasco Onderwijscoöperatie. Maar ze blijven stelselmatig onder de radar. Toen ik begon dit te schrijven vanochtend hadden ze op Twitter 216 volgers. 216! Op het oog zeg je: die doen er niet toe. 

Maar zij tekenden afgelopen vrijdag ook ‘het’ akkoord. En hoogstwaarschijnlijk deed Jilles Veenstra, als voorzitter van FVOV, dat ook namens jou. 

Ingewikkeld

In de media lees je nooit iets over de Fvov. In de vier jaar dat ik columnist bij Trouw was ben ik over het onderwerp nooit begonnen: te ingewikkeld om binnen 400–en–nog–wat woorden fatsoenlijk uit te leggen. 

Onderwijsbond Fvov telt volgens hun site 34.000 leden. Maar waar komen al die leden vandaan? Van vakorganisaties. Als u bijv. Nederlands geeft, of wiskunde, of biologie, of natuurkunde, of scheikunde, of gym, of muziek, of iets met kunst en cultuur, en lid bent van de vakvereniging dan bent u ook –stilzwijgend– lid van de Fvov. En om het nog ingewikkelder te maken behartigt Fvov ook de belangen van de leden van begeleiders in het onderwijs, ‘personeel in de beroepskolom’, logopodisten en foniatristen, en de mini-vakbond voor OP en OOP NVOP.

Dit stilzwijgend lidmaatschap wordt nergens groot geadverteerd. Als een wiskundedocent zich bijvoorbeeld inschrijft voor de NVVW staat er bij het inschrijfformulier nergens dat hij of zij ook meteen lid wordt van de Fvov. Het is geen keuze die je kunt aanvinken of afvinken. Pas als je de website wat nader bestudeert kom je er ook achter dat de NVVW sinds 2007 aangesloten is bij de Fvov, en alle leden dus ook.

A screenshot of a cell phone

Description automatically generated

Dit heeft natuurlijk alles met geld te maken. Ten eerste levert dit de leden iets op. De contributie van je lidmaatschap aan een vakvereniging krijg je niet terug van de belasting. Maar de vakbondscontributie wél. Dat levert toch een besparing van minimaal 35% op. 

Daarnaast ontvangen vakbonden ook geld, bijvoorbeeld voor het tekenen van akkoorden, die dan – naar verluidt – dan weer deels terugvloeien naar de vereniging. Dubbel winst. 

Probleem #1 Welk belang vertegenwoordigt de Fvov nu eigenlijk?

Deze getrapte vertegenwoordiging vind ik om heel veel redenen problematisch.

 In het boek De Sluipende Crisis dat in 2018 uitkwam (hier gratis te downloaden) stond ik stil het veelvuldige falen van onderwijsbeleid. Een van de punten was de grote kloof tussen politiek en het bestuurlijk middenveld aan de ene kant, en scholen aan de andere kant. Convenanten, akkoorden en compromissen zijn de logica aan de ene kant, maar inhoudelijke (wetenschappelijke) kennis en wat er daadwerkelijk in scholen verandert kent daarin geen plek. Sterker nog: regelmatig wordt er selectief geshopt in data om het succes van de gesloten akkoorden aan te tonen. De politiek kan zich dan op de borst kloppen over bereikte successen, maar in de praktijk is er dan nagenoeg niks veranderd.

Wat PO-in-Actie sterk liet zien is dat in al dit gepolder de praktijk uit het oog verloren was. Aan al die onderhandelingstafels was niemand in de twintig jaar daarvoor op het idee gekomen om eens te onderzoek of de loonkloof tussen PO en VO eigenlijk wel gerechtvaardigd was (en dat bleek dus ook niet zo te zijn). En aan de leden werd zelden iets voorgelegd. Als de heren van PO-in-Actie spraken dan wist je dat ze spraken namens de 44.000 leden van de Facebookgroep, en bij traditionele vakbonden moet je maar gissen.

Dat probleem speelt ook bij Fvov. Ze doen vrijwel nooit aan ledenraadplegingen, ook niet in het post-PO-in-Actie-tijdperk. 12 juni 2019 vroegen ze via de mail naar het pensioenakkoord, en in augustus 2018 naar de nieuw afgesloten cao VO. Allemaal achteraf dus.

Dit vind ik dus probleem nummer 1. De overheid kan zeggen onderhandeld te hebben met ‘het veld’, terwijl veel leden van de Fvov dus helemaal niet weten dat er in hun naam onderhandeld is. Foute boel.

Probleem #2 Groupthink

Waarom zijn die ledenraadplegingen nou zo belangrijk? 

Ooit sprak ik een insider en die schetste het als volgt. Er is een kleine club mensen die elkaar iedere dag aan allerlei verschillende onderhandelingstafels tegenkomen. Als je bij de ene tafel boos wegloopt, dan zie je elkaar bij een volgende tafel in de middag weer.

Group Think, oftewel groepsdenken, ligt dan op de loer.

‘Groepsdenken is een denkwijze die plaatsvindt bij mensen die nauw met elkaar samenwerken, daarbij een hechte groep vormen en die zoveel waarde hechten aan een unanieme mening, dat deze unanimiteit belangrijker wordt geacht dan een kritische rationele instelling.[5]De groepsleden leggen meer nadruk op het ‘wij’-gevoel en zullen daardoor minder gemakkelijk kritiek uiten of informatie die de groepsvisie tegenspreekt, van zowel binnen als van buiten de groep, toelaten.[6]Er ontstaat in het meest extreme geval een soort geloofsgenootschap die overtuigd is van zijn eigen gelijk, ongeacht de feiten.[7]’ (Bron, Wikipedia)

In De Sluipende Crisis schetste ik dit aan de hand van het lerarenregister. In 2012 was er overeenstemming tussen alle betrokken partijen, en voor kritische, rationele kritiek was er geen plek – zelfs niet als die bijv. via de Raad van State gegeven werd. 

Een recenter voorbeeld zie je bij Curriculum.nu. Wat vrijwel niemand weet is dat curriculum.nu een coördinatiegroep heeft, bestaande uit – juist – allerlei polderpartijen zoals de vakbonden en de sectorraden. Zij hebben ooit het lumineuze idee opgedaan dat Curriculum.nu moet leiden tot 70% voorschrift en 30% vrije ruimte voor de scholen. Alle voorstellen die nu gepubliceerd moeten dus invulling geven aan de 70% die de overheid aan curriculum mag voorschrijven.

Er zijn allemaal ernstige bedenkingen te verzinnen bij dit idee. Vanuit juridisch oogpunt is onduidelijk hoe dit zich verhoudt tot de vrijheid van onderwijs, kerndoelen en eindtermen. Maar ook, waar komt deze verdeling vandaan? Waarom niet 50-50, of 71,5 – 28,5%? Maar ja, iedereen die hier kritiek op heeft, die begrijpt het gewoon niet goed. Maar dit uitleggen of onderbouwen kan men het ook niet.

En de grote vraag in het kader van dit stuk is dan ook, aangezien Fvov deelneemt in deze regiegroep: wat betekent dit voor de vakken. Wat betekent dit voor mijn vak wiskunde? Waarom was de rol van de vakorganisaties überhaupt zo beperkt in de grote curriculumherziening? En waarom is Fvov daar dan niet demonstratief voor gaan liggen? 

Ledenraadplegingen zijn juist goed om dit type groepsdenken, zo niet geloof, te doorbreken. De AOb zette wel zo’n ledenraadpleging uit naar aanleiding van de eindproducten van Curriculum.nu. Fvov stond –- als lid van de coördinatiegroep – superonafhankelijk direct te juichen, terwijl je als vertegenwoordiger van een aantal vakorganisaties toch iets anders mag verwachten?

Probleem #3 Twee handtekeningen onder een convenant zijn genoeg.

Een convenant is rechtsgeldig als twee vakbonden tekenen. CNV Onderwijs, als klassiek polderinstituut, tekent altijd. Zij zien zichzelf ook niet als vakbond, maar meer als een vakvereniging. Fvov tekent niet zo consequent, maar regelmatig toch ook. Liesbeth Verheggen, tekende daarom afgelopen vrijdag het akkoord,  buiten haar mandaat om, uit angst om uitgesloten te worden van de onderhandelingstafel. Dat kostte haar de kop.

Maar Fvov tekende dus ook. Pas gisteravond stuurden ze alsnog een ledenraadpleging. Maar wat mij betreft veels te laat.

Het voelt bijna gek om hier nogmaals op te wijzen, maar het lerarentekort hangt als een zwaard van Damocles heel Nederland over het hoofd. Het drama van wat iedereen te wachten staat voltrekt zich nu al in de grote steden. Incidentele middelen (zoals afgelopen vrijdag afgesproken) zijn niet genoeg om het tij te keren. Sterker nog: iedere incidentele investering wordt gebruikt om het onderwijs steeds meer neer te zetten als een rupsje-nooit-genoeg. Dus je ondergraaft er ook nog eens al die hardwerkende leerkrachten mee die je zou moeten vertegenwoordigen.

Structurele investeringen zijn nodig, en daarom moet je als vakbond met het mes op tafel. Niet alleen bij AOb, maar ook bij Fvov. Ze zouden moeten werken aan de stakings- en actiebereidheid om dit kabinet nog met meerdaagse stakingen om de oren te kunnen slaan. 

Maar ik zie daar dus niks van.

Dus wat nu?

  1. Als je – onbewust – lid bent van Fvov: Je hebt gisteravond een mail ontvangen over om al dan niet in te stemmen met een staking, en al dan niet met dit akkoord. Vis het uit de spambox, en vul het naar eer en geweten in, zou ik zeggen.
  2. Als je je ongemakkelijk voelt bij je stilzwijgende lidmaatschap dan kun je dit aangeven bij de vakvereniging. Zij kunnen dit dan ontkoppelen. Het kost je iets meer.
  3. Het zou goed zijn als Fvov zich eens gaat beraden over hun koers met het oog op het lerarentekort. 

N-term (deel 2): Compensatie via de N-term.

Vorige week schreef ik een column in Trouw over de examenperikelen rond het eindexamen Frans, en over de rechtszaak die is aangespannen door een scholiere. Kort gezegd: in het correctiemodel zat een fout, waardoor docenten een goed antwoord fout moesten rekenen. Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) wilde de fout in het voorschrift echter niet corrigeren, maar deed dat uiteindelijk na veel maatschappelijke ophef pas op de dag dat de normering werd vrijgegeven. Echter, de gedupeerde leerlingen kregen van het CvTE niet 0,2 punten erbij (wat de vraag waard was) maar 0,1 punt. Precies de 0,1 punt-verschil die deze scholiere nodig had om te slagen. Zij spande een kortgeding aan, en kreeg geen gelijk, omdat het CvTE haar eigen procedure goed had gevolgd. Dit vonnis werd begin dit jaar vernietigd door de Hoge Raad.

Het bizarre aan dit verhaal is dat wanneer het CvTE gewoon de fout had toegegeven en het correctiemodel had aangepast deze vrouw 0,2 punt erbij had gekregen en geslaagd zou zijn. Nu kreeg ze slechts 0,1 punt en niet 0,2 punten omdat, zo stelden ze in de rechtszaak, er anders teveel kinderen zouden slagen.

Om de regeling die ze hiervoor gebruikten juridisch beter dicht te timmeren heeft het CvTE vorige week, met instemming van de minister haar rekenmethode voor dit soort problemen gepubliceerd.

Mijn eerste reactie: OMG.

Ik sluit me volledig aan bij de conclusie van advocaat Wilco Brussee dat er van deze formule helemaal niets klopt, en ik zal voor de leken onder u eerst duidelijk proberen te maken wat er niet deugt aan deze formule, en wat de consequenties hiervan zijn.

De formule
In het geval er een onvolkomenheid in het correctiemodel wordt geconstateerd, maar deze niet tijdig gepubliceerd wordt, kan het CvTE het cijfer besluiten op te hogen via de N-term, om leerlingen zo te compenseren. De daarvoor gehanteerde formule is: 9*P*M/L, waarbij M het maximale te halen punten is voor de vraag, L het maximale aantal punten voor het examen en P het gemiddelde percentage punten dat door alle leerlingen is gehaald op die vraag. “Een P-waarde van 0,63 betekent dat de kandidaten gemiddeld 63% van M behaald hebben.”

Om duidelijk te maken waarom dit rekenmiddel bizar is, neem ik u mee in een volstrekt theoretische vraag.

‘Jan krijgt 50 cent wisselgeld. Welk antwoord geeft waarschijnlijk aan welke munten hij terugkreeg.’
A: een munt van 50 cent.
B: 5 muntjes van 10 cent.

Beide antwoorden zijn goed, maar in het correctiemodel staat dat het antwoord B moet zijn. Navraag bij het CvTE leert dat antwoord A echt fout gerekend moet worden. (Het klinkt bizar, maar zo gaat dat dus echt!)

We gaan eens kijken naar een aantal fictieve situaties. De vraag is in dit geval twee punten waard, op een totale examenlengte van 100 punten.

Scenario 1:
Alle leerlingen die het examen maakten hebben het ‘verkeerde’ antwoord gekozen, namelijk A. De P-waarde is nu 0,00. In de rekenmethode krijgen al deze leerlingen daarom (9*0*2/100=)0 punten compensatie, oftewel helemaal geen compensatie.
Consequentie: leerlingen die het antwoord A hadden, dat inhoudelijk wel goed was, krijgen 0 punten erbij voor de vraag. Leerlingen met antwoord B zouden 0,2 punten krijgen ( maar die waren er niet).

Scenario 2:
De helft van de leerlingen heeft het goede antwoord gekozen. De P-waarde is nu 0,5. Oftewel, alle leerlingen krijgen (9*0,5*2/100=)0,09 punt, dus 0,1 punt compensatie.
Consequentie: Degenen die A hadden krijgen 0,1 punt erbij. Degenen die B hadden, en dus van hun docent punten hebben gekregen voor de vraag, omdat dat mocht, krijgen nu dus 0,3 punt voor de vraag.

Scenario 3:
Alle leerlingen hadden antwoord B. De P-waarde is nu 100% dus 1. Alle leerlingen krijgen nu (9*1*2/100)=0,18 dus 0,2 punt compensatie, oftewel het volle pond.
Consequentie: Ze hebben al punten gehad voor de vraag, want iedereen had B, maar ze krijgen toch compensatie. Uiteindelijk levert deze vraag ze daarom 0,4 punten op.

Intermezzo:
Wat er hier gebeurt is dus heel vreemd. Leerlingen die benadeeld worden door het onjuiste correctievoorschrift worden minder gecompenseerd dan degenen die per ongeluk wel goed gokten wat er in het correctievoorschrift zou staan. Maar het wordt nog erger!

Realistisch scenario 4 (variant op 2)
De helft van de leerlingen heeft het ‘goede’ antwoord gekozen. Echter, leraren nemen geen genoegen met het onzinnige voorschrift van het College, zij gaan toch geen goede antwoorden fout rekenen! Dat is de helft van de docenten, met theoretisch de helft van de leerlingen. Zij besluiten antwoord A toch gewoon goed te rekenen.
De P-waarde is nu 0,75. Compensatie is nu (9*0,75*2/100)=0,14 punt dus 0,1 punt.
Nu wordt het ingewikkelder. Er zijn nu leerlingen die A hadden waarbij de docent het wel had goed gerekend, en leerlingen waarvan A niet goed is gerekend.

 

Score voor de vraag                      A        B
Docent rekende A wel goed          0,3     0,3
Docent rekende A niet goed          0,1     0,3

 

Consequentie: Leerlingen met hetzelfde antwoord (A), krijgt vanwege een andere opvatting van de corrector 0,2 punten lager!! (Terwijl het antwoord dus gewoon goed is).

Conclusies:

Dat correctiemodellen niet worden aangepast, maar dat er ‘gecompenseerd’ wordt in de normering is kennelijk al een lang gebezigde praktijk. Ongetwijfeld zal het College hameren op de correcte wijze waarop ze de procedures hebben gevolgd. Maar de rest van de wereld zal toch echt van mening zijn dat deze methodiek moreel volstrekt ongeloofwaardig is.

En deze verwerpelijke methodiek wordt dus vaak toegepast. Sterker nog: telkens als een fout in het correctievoorschrift niet is aangepast wordt het op deze wijze gecompenseerd.

Een aantal vragen doemen direct in mij op:

1) Waarom niet gewoon het correctievoorschrift aanpassen? Wat kan in vredesnaam het probleem zijn?
2) Waarom keurt de minister een volstrekt ondeugdelijke compensatieregeling goed?

3) Hoe juridisch houdbaar is deze willekeur eigenlijk?
4) Als er al dit soort problemen in de compensatieregeling zitten, hoe betrouwbaar is dan de pretest/posttest- of ankervraag-methodiek (die ook niet openbaar is) dan eigenlijk?

Ik weet het, het CvTE is niet dol op inhoudelijk reageren op columns en blogartikelen, en ze doen het daarom zelden. Toch stel ik het op prijs, als u dit stuk deelt op sociale media zal het ongetwijfeld helpen..

Column: Het recht om het te verprutsen

Ongeveer een jaar geleden schreef ik een column in Trouw over de onwenselijke ontwikkeling rondom Magister c.s. Vanwege de hernieuwde aandacht voor dit thema, hier een re-post.

Mijn eerste baan was bij een internet-start-up. Het waren de cowboyjaren, net voor de bubbel klapte. Maar ik kreeg RSI en belandde in een van de weinige beroepen waarvoor ik geen computer hoefde te bedienen: ik moest een krijtje kunnen vasthouden, proefwerken copy-pasten met een echte schaar en lijm, en eens in de drie maanden de computer opstarten om cijfertjes in te kloppen. Op een diskette. Werkmail hadden we niet. We kregen wel veel printjes in onze postvakken. Stapels en stapels aan papier. Ik vond het maar achterhaald.
Leerlingen volgen was toen ingewikkeld. Als een ouder wilde weten hoe zijn of haar kind ervoor stond, moest ik met een schriftje langs mijn collega’s tijdens de koffiepauze, en dan weer terugbellen. Het duurde een paar jaar voordat daar een digitaal leerlingvolgsysteem voor kwam. Als voormalig ICT’er stond ik natuurlijk te springen. Iedereen, onder wie ouders en leerlingen, had altijd en meteen een overzicht van cijfers, huiswerk, eventuele absenties en roosterwijzigingen. Het schoolse werd transparant. Maar onze toenmalige rector had er bedenkingen bij. Kinderen hebben recht op privacy, vond hij; het was maar schadelijk voor de ontwikkeling. Ouderwets, dacht ik toen, rijp voor zijn pensioen; maak baan voor de digitale revolutie!
En de revolutie kwam er. Scholen zijn inmiddels volledig gedigitaliseerd. Docenten voeren hun cijfers direct na het nakijken in. Ouders, die vaak meerdere keren per dag op sites als Magister kijken, zien het resultaat al staan voordat zoon- of dochterlief überhaupt zelf weet wat hij of zij voor een toets gehaald heeft.
Is dat nou goed? Eerder vroeg ik me in deze column al eens af waarom huiswerk nog steeds zo slecht wordt gemaakt, terwijl de agenda van de leerlingen nu volledig online is. Makkelijker kunnen we het niet maken.
Maar makkelijk, en transparant, is wellicht niet in het belang van de opvoeding. Vorige week sprak koning Willem-Alexander de wijze woorden dat pubers zichzelf moeten leren kennen. Dat drukt hij zijn dochter ook op het hart: leer je eigen grenzen kennen, ga eroverheen, maak fouten. Als vader wil hij niet alles van haar weten.
De ruimte om ongezien fouten te maken is er in het onderwijs niet meer. Dat heeft zich enthousiast doorgedigitaliseerd tot een panopticon: er is permanent toezicht op de ontwikkeling van kinderen, en kinderen zijn zich er permanent van bewust dat er volwassenen meekijken, of dat nu ouders, leraren, mentoren of schoolleiders zijn.
Misschien moeten we gewoon weer terug naar vier rapporten per jaar met ondoorzichtigheid, en daarmee alle ruimte om te verprutsen daartussenin, als fundamenteel recht voor ieder kind. Had mijn rector toch gelijk.

De Onderwijscoöperatie, en hoe nu verder…

Afgelopen anderhalve week was er commotie en aandacht voor de afwijzing van Jan van de Ven als beoogd voorzitter het bestuur van de Onderwijscoöperatie. Voordat bekend werd dat het bij deze sollicitatie om Van de Ven ging wijdde ik al een twitter-draadje eraan, met de conclusie dat het bestuur – dat bestaat uit de vakbondsleiders – beter kan opstappen.

 

Toen bleek dat het om populaire ‘meester Jan’ ging besteedde het Algemeen Dagblad er aandacht aan, het bestuur voelde zich genoodzaakt om te reageren middels een persbericht. Zo zou hij onder andere teveel salaris gevraagd hebben. Deze week reageerde Van de Ven zelf uitgebreid op het bestuur. En die reactie liegt er niet om. Kort samengevat: Tijdens het sollicatieproces stripte het bestuur de voorzittersfunctie tot dat van een lintjesknipper, en in het voorzittersvacuüm deelden de overige bestuursleden zichzelf meer bevoegdheden toe. Bovendien zag het bestuur een andere koers voor ogen dan Van de Ven: zij wilden er geen echte beroepsvereniging van maken, met echte zeggenschap, waar de ‘gecastreerde’ voorzittersfunctie symbool voor staat.

Dat laatste is een hele eigen kwestie zoals ik straks uiteen zal zetten, maar laat ik vooropstellen dat ik deze gang van zaken – en dat lijkt mij inclusief de poging tot karaktermoord – een enorme vorm van schofterigheid in zich hebben, een politiek van ‘ik kan het, dus ik doe het’. En ik zie het vooral als uiting van een totaal gebrek aan bestuurlijk integriteit. Het lijkt me dan ook heel lastig om vanaf nu als vakbond besturen de maat te nemen over respectvolle omgang met personeel, en over de correctheid van sollicatieprocedures. Maar goed, wat de vakbonden daar als organisatie mee moeten, daar ga ik niet over. Maar over wat, in theorie, ook ‘mijn’ beroepsvereniging van leraren zou moeten zijn ga ik wel. Vind ik.

Een kleine geschiedenis

Maar in de praktijk is dat niet zo. De Onderwijscoöperatie is namelijk een beroepsvereniging voor leraren waar leraren geen inhoudelijke of bestuurlijke zeggenschap hebben, maar het ministerie van OCW en de vakbonden wel. Dat is op papier niet alleen een slecht idee, maar in de praktijk ook. Dat heeft met beroepseer helemaal niets te maken. Het is gewoon een controle-instrument van de overheid onder gedoging van de vakbond. Het valt te beargumenteren dat zo’n nepberoepsvereniging de professionaliteit van leraren zelfs eerder kwaad doet dan goed.

Daarom pleitten we in Het Alternatief (2013) voor een beroepsvereniging van leraren waarin ook zeggenschap van leraren belegd is, daarom deden we in ons beleidsperspectief ‘Samen Leren’  (2014) met de PvdA en VVD een oproep om de beroepsvereniging van leraren te laten zijn, daarom adviseerde de Onderwijsraad tot tweemaal toe (2015) en (2017) om de zeggenschap van leraren te borgen, en daarom staat in het regeerakkoord (oktober 2017) dat de beroepsorganisatie ook echt ‘van, voor, door leraren’ moet worden. Daarom dus, omdat leraren en de samenleving aan een nepberoepsorganisatie niets hebben. Omdat het een een achterlijk idee is om een beroepsvereniging te hebben waar leraren niets over te zeggen hebben. En domme ideeën vinden nooit draagvlak.

Sinds 2013 hebben we op al deze vriendelijke pleidooien vooral beloftes gehoord over de zeggenschap van leraren. Naar aanleiding van het Alternatief kregen we van de AOb dat ze er over zouden nadenken. Na Samen Leren vond CNVO het de moeite van het onderzoeken waard of er ook leraren in het bestuur konden komen. Uiteindelijk hielden de vakbonden ons voor dat het allemaal goed zou komen als de wet door het parlement was. Ook de staatssecretaris beloofde voortdurende dat de zeggenschap van leraren geborgd zou worden. Karin Straus (VVD) trok zelfs een sterke motie hierover in omdat de staatssecretaris zoveel goede intenties uitsprak. Motie Maar het eindresultaat van al deze goede bedoelingen is dat in oktober 2017 de LerarenAdviesRaad (leraren)een zeer capabele kandidaat (leraar) voordraagt, en dat die door het bestuur (geen leraren) wordt afgewezen. Dat het bestuur (geen leraren) zichzelf meer bevoegdheden toedeelt. Dat de Deelnemersvergadering (leraren) ten alle tijden overruled kan worden door het bestuur (geen leraren). Op kantoor lopen regelmatig ambtenaren (geen leraren) van OCW rond, die ook nog eens aanschuiven aan de bestuurstafel (geen leraren). Het zeggenschap van leraren over hun eigen beroep is nergens, maar dan ook nergens, geactualiseerd.

Kortom: ik wil OCW en de vakbonden van harte feliciteren. Jullie plan om alle macht over het leraarschap naar jullie toe te trekken middels de Onderwijscoöperatie is na vier jaar geslaagd. Knap hoor. Jullie zijn vast hartstikke trots op het resultaat. Alle beleidsdoelen zijn gerealiseerd. Schouderklopje voor jezelf.

De rekening

Maar laat me even het volgende schetsen. De afgelopen jaren hebben jullie allerlei progressieve, enthousiaste leraren aan de Onderwijscoöperatie weten te binden, als ambassadeur, als Leraar van het Jaar, of in allerlei andere functies. Zij zijn diep teleurgesteld over deze hele gang van zaken. Ambassadeurs stappen massaal op, Arjan van der Meij legde met pijn in zijn hart zijn juryvoorzitterschap bij het LOF neer. Dat kweekt cynisme.

Dit kweekt cynisme juist onder de groep leraren die je het hardste nodig hebt. Al die valse beloftes maken jullie als bestuurders onbetrouwbaar. Waarom zou ik als leraar nog geloven in een goede afloop?

Dat is, om kort samen te vatten, de reden waarom ik vind dat het hele bestuur van de Onderwijscoöperatie moet opstappen. Niet alleen vanwege het debacle rondom Van de Ven – hoewel dat al reden genoeg is ­– maar ook omdat jullie er als bestuur niet in zijn geslaagd om de beroepsorganisatie ook van leraren te maken. Als het onkunde is, dan is het een reden om op te stappen, en als het onwil is, des te meer! Een beroepsorganisatie, en de leraren die het betreft, maar ook de medewerkers van het bureau, hebben recht op een bestuur dat een visie heeft en stappen zet om een beroepsorganisatie verder door te ontwikkelen. Een bestuur dat dat niet heeft en doet is volstrekt illegitiem.

En nu?

Er is natuurlijk ook een ander scenario denkbaar. Een scenario waarin het bestuur bewijst dat het wel bereid is om de Onderwijscoöperatie verder te ontwikkelen tot een echte beroepsgroep. Met een tijdspad waarin duidelijk wordt gemaakt wat wanneer gebeurt, en dat het bestuur zijn beloftes nakomt. Om vertrouwen op te bouwen. Dat zou goed zijn. Ik heb daarvoor heel specifieke wijzigingen in gedachten. En hoewel ik niet beweer te spreken namens alle leraren, weet ik zeker dat een groot deel zich hierachter kan scharen.

  • Terugtreden uit het bestuur of met een minderheidsbelang genoegen nemen. Zoals al beschreven heb ik er weinig vertrouwen in, en ik twijfel aan jullie integriteit, en ik ben niet de enige. Waar ik mee zou kunnen leven is dat het bestuur wordt aangevuld met echte leraren, en dat die leraren meer te zeggen hebben dan jullie. Dat maakt jullie rol eerder adviserend dan beslissend. Zoals het hoort. En daarbij hoort ook leraar als volwaardig voorzitter met een volwaardige beloning (gezien het belang van het werk en de capaciteiten die daarvoor nodig zijn).
  • Onafhankelijke financiering door leraren zelf. OCW vindt het moeilijk om gepaste afstand te houden tot de beroepsorganisatie. En dat wordt extra bemoeilijkt omdat OCW alles financiert. Maar dat rijksambtenaren op kantoor rondlopen, en zelfs aanschuiven bij bestuursvergadering, dat is natuurlijk killing. Daar had je als bestuur stevig moeten ingrijpen, maar je hebt het laten gebeuren. Maar het hoeft allemaal niet: Door docenten jaarlijks een contributie te laten betalen aan de beroepsvereniging kan de beroepsorganisatie ook echt van leraren worden. Zonder dat er getwijfeld hoeft te worden over de legitimiteit van de beroepsorganisatie. Dat hoeft leraren geen cent extra te kosten. Het bedrag dat nu via OCW naar de OC gaat kan direct naar het salaris van leraren gaan, die daarvan weer contributie kunnen betalen. Een contributie betekent trouwens ook lidmaatschap.
  • Regel de zeggenschap van leraren over inhoud en processen afdoende in de statuten en in de werkprocessen zelf. En ja, dat gaat dan ten koste van de zeggenschap die jullie als lidorganisaties hebben. Dat is hier ook de bittere pil die je moet slikken.

Het zijn redelijke wijzigingen van zaken die in feite al lang geregeld hadden moeten worden. En als het nu niet snel gebeurt dan is de Onderwijscoöperatie in letter en geest, wat mij betreft, dood.