Selecteer een pagina

Een register zonder nascholingsuren

(Dit blog werd eerder gepubliceerd voor de behandeling van de wet in de Eerste Kamer, en ivm de interconsultatie publiceer ik hem nogmaals)

Vóór alle commotie, vóór het advies van de Raad van State, voordat het register verplicht was of verplicht dreigde te worden, op dag één heb ik me ingeschreven voor het lerarenregister. Omdat ik sta voor de kwaliteit van mijn vak, en omdat ik deel wilde uitmaken van het ontwikkelen van het register.

In de tussentijd heb ik me regelmatig voorstander getoond van het lerarenregister. In het Alternatief I, bijvoorbeeld, als middel om de beroepseer van docenten te vergroten, in diverse interviews, in mijn column voor Trouw, en op diverse podia.

Dat betekent niet dat ik niet kritisch ben op onderdelen ervan, of op de inrichting van de beroepsorganisatie de Onderwijscoöperatie zelf. De afgelopen jaren hebben Jelmer Evers en ik op diverse manieren geprobeerd om het hele dossier een wat andere kant op te sturen. Bijvoorbeeld door onze samenwerking met de PvdA en VVD onder ‘Samen Leren’ hebben we geprobeerd om het eigenaarschap over het register echt bij leraren zelf te leggen, wat ten dele is gelukt.

Maar nu, nu de wet eenmaal is aangenomen – en collega’s kennelijk dachten dat de Tweede Kamer het wel zou blokkeren, zoals ze dat nu ook (naiëf) hopen over de Eerste Kamer – is de woede en het protest niet van de lucht. En dat is jammer, want het is een typisch geval van het kind en het badwater.

Ook nu het verplicht is ben ik niet tegen een lerarenregister, maar ik ben wel tegen een register waarin nascholingsuren bijgehouden moeten worden. Het grappige (nou ja..)  is dat men al zo’n beeld heeft van een register als een register waarin professionaliseringsuren afgevinkt moeten worden, dat vrijwel iedereen over het hoofd ziet dat er ook een andere optie is. Ik zal hieronder mijn gedachten hierover uiteenzetten en eindigen met het goede en het slechte nieuws.

 

Waarom een register hard nodig is

Ik denk dat een register twee doelen moet dienen:

Doel #1 Een register staat voor een veilige beroepsgroep

Als een leraar zich onzedelijk gedraagt tegenover zijn leerlingen dan is het vandaag de dag moeilijk om daar wat aan te doen. Een bestuur kan niet altijd aangifte doen, en bij een ontslag kan deze leraar gewoon weer op een volgende school aan de slag. Problemen moeten nu worden voorkomen door middel van een ‘Verklaring omtrent gedrag’, maar dat werkt dus vaak niet op sluitende manier.

Ik zou zeggen dit soort situaties bij uitstek een sprekend voorbeeld zijn van waarom er een professioneel register moet zijn. Zo iemand kan dan voor het leven geschrapt worden uit het register en mag dan ook nooit meer voor de klas staan. Dat vereist dan wel een beroepsethische code (die we niet hebben), en een tuchtcommissie (die er niet is), maar dit lijkt me nu juist het soort kwesties waar je je als beroepsgroep hard voor moet maken (en het niet moeten laten afhangen van schoolbesturen), en professioneel zelfreinigend vermogen nodig is.

Doel #2 Een register staat voor een kwalitatief sterke beroepsgroep

Voor iedereen die het in het register staat moet niet alleen gelden dat het veilig is dat ze voor de klas staan, maar ook dat ze kwalitatief goed zijn. De eerste voorwaarde is dan natuurlijk een bevoegdheid, maar hoe weet je nu of een leraar zoveel jaar na het halen van de bevoegdheid nog steeds goed is? Nu is het idee om iedere leraar 160 uur nascholing te laten registreren per 4 jaar, maar dat vind ik dus een slecht idee, want kwaliteit en cursusjes afvinken hebben niets met elkaar te maken.

 

Waarom een register zonder nascholingsuren?

De beste manier om te weten of iemand nog steeds goed is, is door een aantal observaties te doen in de les, en door middel van leerling- en collega-enquêtes, zoals we dat eerder in de wet BIO hebben afgesproken (2006). Als dat allemaal succesvol doorlopen is in vier jaar tijd dan lijkt me dat een ijzersterk herregistratiecriterium. Het enige wat dan nodig is voor herregistratie in het register is de schoolleider aan te laten geven of de leraar zich nog steeds adequaat ontwikkeld en functioneert met een ontwikkelingsportfolio in de hand.

Dit is niet alleen een subtiele oplossing – aangezien het nauw aansluit bij wat er al bestaat aan wet- en regelgeving –, het lost bovendien het probleem op dat professionalisering pas effectief kan zijn als professionalisering aansluit bij de individuele leerdoelen van een docent en de organisatiedoelen. De bureaucratie is te overzien (niet meer dan het nu is, of zou moeten zijn), en je krijgt écht antwoord op de vraag of iemand nog functioneert – en waarom zouden we een andere vraag willen beantwoorden?

Met het vinken van nascholingsuren zijn een hele rij problemen die ik gemakshalve maar even opsom, al zijn de meeste heel evident of eerder genoemd.

Punt #1 Een nascholingsregister voor leraren is in geen enkel ander land geslaagd.

Dacht je dat we het eerste land waren die dit onderneemt? Nope. Er zijn veel landen met registers, maar al die landen noemen nascholingsuren bijhouden een slecht idee. In Canada zijn ze er ooit aan begonnen, maar hebben ze het binnen een jaar stopgezet omdat het protest gewoon te groot was. Iets om over na te denken. Vrijwel alle andere landen hebben wel een verplicht register, maar zonder verplichting tot nascholing. Lerarenorganisaties proberen professionalisering van zo’n hoog niveau te ontwikkelen en aan te bieden dat het voor leraren aantrekkelijk wordt om er aan mee te doen.

Punt #2 Een nascholingsregister levert geen effectieve bijdrage aan kwaliteit van onderwijs

Een nascholingsregister is niet alleen ineffectief om te bepalen wie er nog steeds geschikt is om voor de klas te staan, het is ook geen geschikt middel om de kwaliteit van het lesgeven te vergroten aangezien het alleen gaat over individuele ontwikkeling en niet over hoe die aansluiten bij organisatiedoelen. Anders dan een advocaat is een leraar eigenlijk geen professional in de ware zin van het woord, maar uiteindelijk (en voor altijd) gewoon een werknemer. Je kan dus wel soebatten over welke nascholing ‘telt’ en welke ‘niet telt’. Maar in opzet is zo’n nascholingsregister al problematisch: of nascholing nu telt of niet, het zal nooit iets bijdragen aan de kwaliteit van onderwijs.

Punt #3 De uitvoeringskosten zijn hoog/ verspilling van gemeenschapsgeld

Dat maakt het vermoedelijk extra bezwaarlijk dat de uitvoeringskosten gigantisch zijn. Dat er 300 pathologen zijn die gezamenlijk een registertje runnen en dat kunnen bolwerken, dat is natuurlijk heel andere koek dan de meer dan 250.000 leraren die door de bureaucratische molen moeten, en zo’n molen gaat het ook worden door het net zo te organiseren. Dat zijn niet alleen kosten aan de kant van Onderwijscoöperatie – denk aan alle administratieve handelingen, maar ook het valideren van nascholingsaanbod – maar ook aan de kant van scholen, als een leraar bezig is met bureaucratie kan hij namelijk niet bezig zijn met andere werkzaamheden (of andere bureaucratie), en als een leraar verplicht aan het nascholen is (meer dan hij nodig heeft) dan moet dat toch vervangen worden. Tijd is geld tenslotte. Heel veel tijd en geld, en het niet waard bovendien (zie punt #2).

Punt #4 De nascholingsbranche gaat wel floreren/ ook verspilling van gemeenschapsgeld

En niet alleen tijd kost geld, nascholing kost ook geld. Dat er allerlei manieren worden gevonden om geld te verdienen aan het register, zien we ook terug in andere landen. Is dat een probleem? Voor een sector die een aantal jaren kampt met onderfinanciering is dit een problematische nieuwe uitgavenpost, gezien het ook weinig oplevert voor de school (zie wederom punt #2). Een fiks probleem dus. Het is dan ook niet gek dat de bestuurderskoepels zich kritisch toonden over de wet om het Lerarenregister. Bestuurders en schoolleiders hebben net als leraren weinig om enthousiast over te zijn.

 

Goed nieuws en slecht nieuws

Het mooie is nu dat de wet rond het lerarenregister wel is aangenomen maar dat er over de herregistratiecriteria daarin niets is vastgelegd. De herregistratiecriteria worden uitdrukkelijk door de Onderwijscoöperatie zelf vastgelegd. Een nog op te richten Deelnemersvergadering van leraren krijgt besluitvormende zeggenschap over alle onderdelen van de ‘professionele keten’ dus ook over het register en de herregistratiecriteria. Het is dus heel goed mogelijk voor ons als leraren om een register te krijgen zonder nascholingsverplichting.

Dat is het goede nieuws.

Het slechte nieuws lijkt mij: dat is maar de vraag… Voor een orgaan dat is opgericht om de professionele governance te verbeteren is de eigen professionele governance maar matig op orde. Er is wel een Lerarenadviesraad, maar die heeft geen echte zeggenschap. En in het bestuur zit geen enkele leraar. Eigenaardig voor een beroepsorganisatie. Bij het vertrek van BON vroeg Ad Verbrugge zich natuurlijk terecht af met welk mandaat de voorzitter handelt, maar dat gaat eigenlijk voor eenieder in het bestuur op. De AOb verdedigt vurig het register, terwijl dat sentiment onder haar leden niet leeft, en datzelfde heeft Verbrugge natuurlijk ook gedaan, terwijl zijn eigen achterban er niet achter stond. Het lijkt mij dan ook dat de Onderwijscoöperatie naast de historisch gegroeide samenstelling ook een democratische samenstelling zou moeten genieten, met een voorzitter én bestuursleden die door leraren zelf verkozen zijn. Dat maakt het mandaat meteen duidelijk.

Een ander governancevraagstuk dient zich aan in relatie tot de financiering van de Onderwijscoöperatie.  Als beroepsgroep kun je heel wat willen, of iets anders willen, maar uiteindelijk is het zo dat wie betaalt bepaalt. Het is daarom verstandig om de financeringstroom van de OC te flippen: iedere leraar betaalt per jaar 100 euro om in het register te mogen staan. Voor die 25 miljoen die dat per jaar oplevert kan de beroepsorganisatie zich veel gezonder en onafhankelijk ontwikkelen. Dat hoeft een leraar niets te kosten, een permanente loonsverhoging van 10 euro per maand zou voldoende moeten zijn.

Kortom: als het op de beroepsontwikkeling aankomt zijn we nog steeds op de goede weg. Er zijn mogelijkheden genoeg voor ons als leraren om dit hele dossier naar onze hand te zetten. Maar dat vereist wel wat richting, een gedeelde visie, en vereende krachten. Van leraren.

(Op de AMWvB van het Lerarenregister loopt nog een internetconsultatie tot 31 mei 2017.  Reageer hier: https://www.internetconsultatie.nl/besluitlerarenregister)